ātmavatsarvabhūteṣu

आत्मवत्सर्वभूतेषु
ātmavatsarvabhūteṣu
Alle levende wezens zijn zoals jezelf
~ cāṇakya nīti 12.14 ~

De manier waarop we de wereld zien, is bepalend voor de manier waarop we met haar omgaan. Onze dṛṣṭi (= zienswijze) kan een wereld van verschil uitmaken bij een (ogenschijnlijk) zelfde object, wezen of situatie. Hetzelfde briefje van 500 euro, dat voor een volwassene heel waardevol is, is voor een baby een stukje papier dat hij kreukelt, in zijn mond stopt en misschien zelfs verscheurt. Diezelfde gau (= koe), die voor de één een heilig dier is dat vereerd wordt, is voor de ander een maaltijd. Diezelfde reis naar de top van de Mount Everest, die voor de één een droom is die uitkomt, is voor de ander een regelrechte nachtmerrie. Het verschil in dṛṣṭi zorgt dus voor een essentieel verschil in de manier van omgang met dezelfde vastu (= object), bhūt (= wezen) of ghaṭanā (= gebeurtenis).

Onze dṛṣṭi komt voort uit de manier waarop we denken over een viṣay (= onderwerp) en onze manier van denken komt voor uit onze prajñā (= mentale staat). De sleutel tot de vorming van onze dṛṣṭi, die bepalend is voor onze vyavahār (= omgang) met onze omgeving, ligt dus in de vorming van de prajñā. Deze vorming is op haar beurt weer afhankelijk van onze āhār (= voeding). Naast de voeding die we in de vorm van eten en drinken innemen, voeden onze indriyā (= zintuigen) ons ook met beelden, geluiden en uitingen van gedachten en gevoelens van anderen. Dus we kunnen onze prajñā dharmamay (= vervuld van dharma) maken door ervoor te zorgen dat onze āhār dharmamay is.

Deze subhāṣit (= goede raad) is een āhār die leidt tot een dharmamay dṛṣṭi van de wereld om ons heen, waarin de ātmā (= ziel) alomtegenwoordig is. Of het nu een persoon in Australië, een olifant in Afrika of een boom in je eigen tuin is; diezelfde ene ātmā, die jouw daadwerkelijke identiteit is, is ook aanwezig in al deze wezens. In essentie zijn we dus allemaal hetzelfde. Deze dṛṣṭi, die een theorie is uit een granth (= geschrift), wordt een deel van onze dagelijkse praktijk, wanneer we in staat zijn om onze prajñā te verheffen tot een niveau waarop we deze waarheid gaan inzien. De Hindū dharma geeft ons hiertoe vele methoden die allemaal leiden tot deze staat van yoga (= eenwording); een staat die we kunnen bereiken door continu bezig te zijn met de ontwikkeling en verruiming van ons bewustzijn door middel van dhyān (= meditatie), jñān (= kennis), bhakti (= devotie) en karma (= handeling) en die ons ware kennis geeft over onze eigenlijke zelf, de ātmā. Het gevolg van een prajñā die gebaseerd is op de kennis van de ātmā, is een vyavahār waarbij sneh (= liefde), ādar (= respect) en sevā (= dienstbaarheid) voor alle levende wezens niet meer dan normaal is. Het is deze dṛṣṭi die uiteindelijk leidt tot harmonie met mensen, dieren en de hele natuur.