śatahasta samāhara sahasrahasta saṃkira

शतहस्त समाहर सहस्रहस्त संकिर
śatahasta samāhara sahasrahasta saṃkira
Verzamel met honderd handen, verspreid met duizend handen
~ atharva veda 3.24.5 ~

Binnen de Hindū dharm worden vier puruṣārth (= levensdoel) beschreven, namelijk dharm (= rechtvaardigheid / morele waarden), arth (= rijkdom / materiële waarden), kām (= verlangen / psychologische waarden) en mokṣ (= verlossing / spirituele waarden). Deze subhāṣit (= goede raad) is gericht op de manier waarop met arth wordt omgegaan en de rol die eraan wordt toegekend in het leven.

Bij het onderzoeken van de rol van arth is een eerste belangrijke observatie dat arth een mādhyam (= middel) is en geen lakṣya (= doel) op zich. Arth geeft geen ānand (= gelukzaligheid), arth maakt het wel mede mogelijk om ānand te bereiken. Of men hiertoe kan komen, hangt af van de manier waarop de mādhyam arth wordt ingezet en de balans die bestaat tussen nemen en geven. Neem je meer dan je geeft of geef je meer dan je neemt? Het antwoord op deze vraag hangt af van de irādā (= intentie) achter het verzamelen van arth. Hiervan bestaat een breed scala aan uiteenlopende redenen, die ingedeeld zouden kunnen worden in de categorieën: verzamelen om te gebruiken, verzamelen om te houden en verzamelen om te geven.

De eerste categorie van redenen geeft een verklaring voor de gebiedende wijs die gehanteerd wordt in deze vers van de ved. Het verzamelen van arth is een kartavya (= plicht) van de mens, omdat het voorzien in levenonderhoud van jezelf en jouw naasten een kartavya is van de mens. Wanneer arth overblijft na het vervullen van deze plicht, zijn twee mogelijkheden aanwezig: houden of geven. Van deze mogelijkheden wordt geven ten behoeve van de unnati (= ontwikkeling) van anderen aangeraden. De reden hierachter is heel treffend verwoord door Mahatma Gandhi met de uitspraak: ‘The world has enough for everyone’s need, but not for everyone’s greed.’ De wereld heeft voldoende voor ieders behoefte, maar niet voor ieders hebzucht. De weg naar gelukzaligheid voor iedereen is de weg van het geven. Om dit maximaal te kunnen doen, wordt gezegd om met honderd handen te verzamelen, wat het maximaal inzetten van je capaciteiten symboliseert. Hoe meer je hebt, hoe meer je kunt geven. En schroom niet om maximaal te geven (met duizend handen), wanneer je hebt.

In het verzamelen en geven is hier sprake van een disbalans van honderd tegenover duizend. Deze disbalans leert ons dat sevā (= dienstbaarheid) voor de vooruitgang van de samāj (= samenleving) op momenten tyāg (= opoffering) vraagt en roept ons op om een karater te ontwikkelen dat het mogelijk maakt om op cruciale momenten meer te geven dan we kunnen missen voor de vooruitgang van allen.