mātṛdevo bhava, pitṛdevo bhava, ācāryadevo bhava

मातृदेवो भव। पितृदेवो भव। आचार्यदेवो भव।
mātṛdevo bhava, pitṛdevo bhava, ācāryadevo bhava
Wordt iemand voor wie een moeder zoals god is, wordt iemand voor wie een vader zoals god is, wordt iemand voor wie een leraar zoals god is.
~ taittirīya upaniṣad 1.11.2 ~

Binnen de Hindū dharma staat ontwikkeling tot een hogere staat van bewustzijn centraal in het leven. Deze subhāṣit (= goede raad) is een weergave van een staat van bewustzijn, waartoe de Hindū dharma ons inspireert. Hierbij staan de sambandh (= relatie) tussen ouder-kind en guru-śiṣya (= leraar-leerling) centraal en wordt een ideaal meegegeven voor de manier waarop de verschillende rollen in deze relaties worden ingevuld. Uit deze subhāṣit kunnen we de volgende vier lessen leren.

Ten eerste geeft deze subhāṣit ons een zienswijze mee voor de manier waarop we naar onze ouders en/of leraren kijken. In ons leven zijn zij de ātmā’s (= ziel) die op kleine schaal de vormende, verzorgende en verbeterende rol vervullen, die paramātmā (= Universele Ziel) op kosmische schaal vervult. Wij zijn, dankzij hen. Deze zienswijze leidt tot gedrag op basis van ādar (= respect), vinamratā (= zachtaardigheid) en kṛtajñatā (= dankbaarheid) in onze rol als santān (= kind) en śiṣya.

Ten tweede geeft deze subhāṣit een bewustwording mee voor de manier waarop we onze rol als ouder en/of guru invullen. Een ouder en leraar hebben een enorme verantwoordelijkheid als het gaat om de vorming en begeleiding van een kind/leerling en zijn van levensbepalende invloed. Het ouder- of leraarschap zou pas aangegaan moeten worden, wanneer men in staat is om de rol van dev (= verlichter) in het leven van een andere ātmā te vervullen.

Ten derde leert deze subhāṣit ons dat er sprake is van een wisselwerking tussen ouder & kind en guru & śiṣya. Onze manier van zijn als ouder/leraar bepaalt de vorming van ons kind/leerling, maar omgekeerd leidt onze handelswijze in de rol van een kind/leerling ook tot de ontwikkeling van onze ouder/leraar tot dev. Wanneer onze ouders en leraren nog geen dev zijn, kunnen we hen hiertoe inspireren door onze voorbeeldigheid als kind/leerling. De grootsheid van Shri Rām en Arjun is zowel het gevolg als de oorzaak van de grootsheid van Kaushalyā & Dasharath en Dronācārya.

Als laatste geeft deze subhāṣit ons een brede zienswijze mee. Als jouw mātā (= moeder), pitā (= vader) en guru zoals bhagvān (= god) zijn, dan geldt dit ook voor de ouders en guru’s van anderen. De staat van bewustzijn die in deze subhāṣit wordt weergegeven, beperkt zich dus niet tot het microniveau van jouw eigen kleine wereld, maar omvat de gehele wereld. Het leert ons om dev in alle mātā’s, pitā’s en guru’s te zien en allen te worden zoals dev, zodat we onze (toekomstige) rol van mātā, pitā en guru verantwoord kunnen vervullen en hiermee bijdragen aan een gezonde en sterke samāj (= samenleving) die bestaat uit respectvolle burgers.